Utrecht
"Des te meer karakter heeft de stad"
Hoog boven de daken van Utrecht torent de Dom uit, daar kan geen Nijntjeflat iets aan veranderen. De toren wijst als een rechtopstaande kompasnaald het culturele en cartografische centrum van de stad aan. Wie vanaf de 112 meter hoge toren naar beneden kijkt, ziet neer op bochtige grachten, smalle steegjes en heel veel onverwachte hofjes en binnentuinen. En al die krochten en kronkels herbergen geschiedenis, iedere hoek heeft zijn verhaal.
Het verhaal van een stad
Het verhaal van de stad Utrecht begint als de Romeinen rond 50 na Chr. het fort Trajectum bouwen, daar waar nu het Domplein is. Rond 700 na Chr. komen de Angelsaksen om Utrecht te kerstenen. Halverwege de 9e eeuw bedreigden de Vikingen huis en haard. Deze nederzetting groeide vanaf 1122 uit tot een echte stad. In 1529 gaven de Spanjaarden de opdracht de stad Utrecht te versterken met een kasteel dat de naam Vredenburg kreeg. In dit bastion werden Utrechters opgesloten die zich verzetten tegen de Spanjaarden. Dit was Utrechts eerste kennismaking met Spanje. Trijn van Leemput bracht in 1577 de eerste slag toe aan deze dwangburcht wat zou leiden tot de ondergang van dit gehate kasteel. Na de afsluiting van de Unie van Utrecht in 1579 bleven Spanjaarden terugkeren naar Utrecht, maar nu als welkome toeristen.
Op hetzelfde Vredenburg werd op 30 augustus 1968 een grootschalige collecte gehouden voor Tsjechen die na de inval van de Sovjet-Unie niet meer konden terugkeren naar hun eigen land. Inmiddels zijn de Tsjechen weer vrij om te gaan en staan waar ze willen. We verwelkomen ze dan ook graag weer in Utrecht.
Schrift in de stad
Vanaf de tijd van de Angelsaksen is Utrecht ook een intellectuele en literaire stad. Een van de oudste Nederlandse teksten is de Utrechtse doopbelofte aan het eind van de 8e eeuw. Het is een dialoog van een priester en een volwassene die gedoopt wordt. In de tekst worden drie Germaanse, heidense goden genoemd: Donar, Wodan en Saxnoot. De middeleeuwse dichter Janus Secundus (1511-1536) zocht zijn heil in Utrecht toen hij voor bloedarmoede behandeld moest worden. En sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw beseffen we ook in Nederland de enorme betekenis van Belle van Zuylen voor de literatuur. Ze werd in 1740 in Slot Zuylen werd geboren. Jaarlijks gedenkt Utrecht haar met de Belle van Zuylenlezing. Tijdgenoot Hiëronymus van Alphen schreef in Utrecht zijn beroemde kindervers “Jantje zag eens pruimen hangen”. In zijn voormalige woonhuis, een pand op de Trans, kun je nog het behang zien dat hem inspireerde tot het schrijven van dit vers. Met, inderdaad, pruimen zo groot als eieren. In de 19e eeuw kwam Dominee-Dichter Nicolaas Beets zijn stichtelijke werk verrichten in Utrecht. Zijn ondeugende jeugdwerk Camera Obscura had hij toen al geschreven.
Hoewel Utrecht tot voor kort te boek stond als een saai provinciestadje, ontstond er in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog een bloeiend kunstklimaat. In de Domstraat had Hendrik Marsman zijn kantoor. Een gevelplaat herinnert nog aan zijn aanwezigheid: “Geen stijl, maar des te meer karakter heeft de stad / een harde en benepen eigenzinnigheid, / die zich de maat van alle dingen waant.” Een van de dichters die hier, dankzij een studie theologie, neerstreek, was Guillaume van der Graft, thans een belangrijke inspiratiebron voor vele hedendaagse dichters. Leo Vroman studeerde van 1932 tot 1940 biologie in Utrecht. Tijdens zijn studie leerde hij Albert Alberts, Kees Stip en Anton Koolhaas kennen op studentenvereniging Unitas. Een andere vriendengroep ontstond rond Oudegracht 341, waar de schilder Pyke Koch woonde. Martinus Nijhoff schreef er zijn 270 regels tellende vers ‘Awater’, dat je meevoert van het oude verzekeringsgebouw bij het huidige Utrecht C.S. naar station Maliebaan, waar nu het Spoorwegmuseum gevestigd is. Ook de schrijver Cola Debrot en dichter Jan Engelman woonden er een tijdje. Het neefje van Engelman is C.C.S. Crone, naar wie de literaire prijs die de gemeente Utrecht eens in de twee jaar uitreikt, is vernoemd. Dr. Ritter schreef over Crone: “De simpelste voorvallen uit het Utrechtse leven legde hij onder de loep van zijn kunst. Maar al die kleine blijheden en verdrietelijkheden kregen glans en verdieping, wanneer hij ze aanraakte. Er is geen schrijver, die Utrecht zo heeft doen leven, als Crone en er zijn maar weinig schrijvers, die zulk fijnzinnig proza hebben geschreven als hij.”
In de jaren zeventig nam Dirkje Kuik het stokje van Crone over. Met haar oog voor detail en rake observaties beschreef dit multi-talent (ze was graficus, illustrator, dichteres en schrijfster) de Domstad. Saillant detail: Voor Utrechtse Notities uit 1969 ontving ze de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam.
De Utrecht Maffia
Halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw ontmoette een groep schrijvers elkaar in Theatercafé De Bastaard. Tommy Wieringa, Manon Uphoff, Ronald Giphart, Ruben van Gogh en Ingmar Heytze, om er maar een paar te noemen. Hoewel er nauwelijks enige stilistische overeenkomsten tussen de auteurs te ontdekken waren, en ze zich al gauw distantieerden van de titel Utrecht Maffia, hadden de auteurs met elkaar gemeen dat ze graag op het podium stonden en de Nederlandse literatuur met bravoure vanuit Utrecht veroverden. Maar ook buiten deze Maffia vonden dichters elkaar.
Exportproduct met een snorretje
Als je alle boeken van alle Utrechtse schrijvers aan de ene kant van de weegschaal zou leggen, en alle verkochte exemplaren van één andere Utrechtse schrijver aan de andere kant, zou de weegschaal waarschijnlijk in evenwicht blijven. Die andere schrijver is Dick Bruna, geestelijk vader van ‘s werelds beroemdste konijntje: Nijntje. Van heinde en verre komen fans naar de Domstad om de permanente Nijntje-tentoonstelling in het Centraal Museum te bezichtigen.
Literaire podia
Hoewel Utrecht maar een kleine stad is, als je kijkt naar het inwonertal, is het aantal schrijvers en literaire activiteiten enorm. Dit heeft met een aantal zaken te maken: juist het feit dat Utrecht zo klein is maakt dat literair-geïnteresseerden elkaar makkelijk weten te vinden en samenwerkingsverbanden gauw gesmeed zijn. Daarnaast is het aantal boekenliefhebbers navenant groot door het hoge percentage studenten in de stad. Ook is Utrecht als centrum van Nederland een makkelijk toegankelijke plaats voor het organiseren van evenementen en festivals.
Sinds 28 jaar kent Utrecht een paraplu-organisatie Stichting Literaire Activiteiten Utrecht, die onder meer de jaarlijkse Belle van Zuylenlezing organiseert. Salon Saffier richt zich op de dode schrijvers, terwijl het Poëziecircus zich juist concentreert op jonge, springlevende dichters. Utrecht telt maar liefst drie Poetry Slams, en huisvest het jaarlijkse NK Poetry Slam. De nieuwste aanwinst op literair gebied is het Utrechtse Stadsdichtersgilde, dat de taken van de eerste en enige stadsdichter Ingmar Heytze heeft overgenomen.
“Geen stijl, maar des te meer karakter heeft de stad,” dichtte Marsman. Langzamerhand lijkt er toch een Utrechtse stroming te ontstaan. Een literaire stijl die poëtisch en verhalend is, sprookjesachtig en ironisch.
(Tekst: Gina van den Berg)

