Praag

Een literaire betovering

00-praag

Het is de achtste eeuw na Christus dat de zieneres Libuše haar vader opvolgt als leider van het Tsjechische volk. Vanaf haar vesting Vyšehrad kijkt ze uit over de Moldau (Vltava) en ziet in een visioen aan de overkant een burcht verrijzen, waarvan de beide torens tot aan de sterren reiken. Deze burcht zou het centrum worden van een nieuwe stad: Praag, de Gouden Stad, de stad met de honderd torens, en de burcht zelf, de Praagse Burcht (Hrad, Hradčany) zou de zetel worden van Tsjechische koningen en presidenten.

In deze halfmagische sfeer is de ontstaansgeschiedenis van Praag gehuld. Hier al vermengen zich verhalen, legenden en mythes met de geschiedenis van Praag, de hoofdstad van de Tsjechische landen Bohemen en Moravië, waaraan na de eerste Wereldoorlog ook Slowakije werd gekoppeld, een verstandshuwelijk dat tot 1993 heeft geduurd. Als hoofdstad vormde het door de eeuwen heen tevens het centrum van niet alleen de politieke macht, maar ook van kunst en cultuur, dus ook van de literatuur.

Een stad van ups and downs

De Tsjechische landen vormden oorspronkelijk een koninkrijk, met nauwe banden met het Roomse Rijk der Duitse natie. Hoogtepunt van die periode was de tijd dat Karel IV in de 14e eeuw de half-Tsjechische koning-keizer was van dat rijk. Praag werd een keizerlijke stad, wat zijn weerslag vond in de bouw van majestueuze kerken (St. Vitus) en andere bouwwerken (Karelsbrug) alsmede in de stichting van de Karelsuniversiteit (1348).

In de 15e eeuw kwam daar de zeer vroege reformatie (Jan Hus) bij, lang voor Luther en Calvijn. Dit bracht de Tsjechen echter in conflict met de katholieke buren, dat ze uiteindelijk verloren toen de (Duitstalige) Habsburgers de macht in de 16e eeuw zouden overnemen. Hus stierf op de brandstapel en de laatste protestantse ‘bisschop’ en beroemde pedagoog Comenius moest na 1620 het land ontvluchten en zou zich later in Amsterdam vestigen. De Tsjechische landen werden niet alleen politiek ingelijfd, maar ook gegermaniseerd, waardoor het Duits eeuwenlang de voertaal van de politieke en culturele elite werd.

In de 19e eeuw ‘ontwaakten’ de Tsjechen en begonnen zich weer te beijveren voor hun eigen taal, cultuur en politiek. Maar de Eerste Wereldoorlog zou de Tsjechen (en Slowaken) pas definitief losmaken uit de overheersing door Habsburg. Een periode van bloeiende democratie ving aan onder de bezielende leiding van president Masaryk, terwijl ook de literatuur bloeide, er ontstond onder andere een actieve avant-garde (Jaroslav Seifert, Vítězslav Nezval, Karel Teige), die nauwe banden onderhield met de Europese avant-garde.

Helaas zouden nieuwe golven van onderdrukking de Tsjechen treffen: eerst werden ze slachtoffer van het nationaalsocialisme en na de Tweede Wereldoorlog (sinds 1948) van het communisme. Uiteindelijk kwam hieraan een einde door de Fluwelen revolutie in 1989, toen de toneelschrijver Václav Havel president werd.

Voor de dichter Jaroslav Seifert (1901-1986), Nobelprijswinnaar in 1984, was Praag met zijn rijke historie en cultuur steeds een bron van inspiratie.

Als een vreemde zal ik steeds terugkomen,
Berooid, desnoods in regen, in kou.
Weet dat ik voor een paleis in Rome
Mijn bed van stro nooit ruilen zou.

Als ik Praag zeg, wee mij!

(Uit: Mozart in Praag (1985, Ambo), vertaald door Toon Rammelt en Hana Svobodová)

Een stad van twee culturen

Niet alleen de katholieke Habsburgers brachten het Duits naar Praag, ook de joden, die er zich al vanaf de vroege middeleeuwen vestigden. In Praag ontstond een omvangrijke ‘jodenbuurt’, een joods getto, dat in de 19e eeuw zozeer verpauperde dat het in zijn geheel op de schop ging. De Duitstalige, vaak joodse literatuur vond een hoogtepunt in een andere literaire grootheid waarmee Praag graag wordt geassocieerd: Franz Kafka (1883-1924), die overigens zelf minder gecharmeerd was van die stad (‘een moedertje met klauwen waar je niet aan kon ontsnappen’). Die Duitstalige minderheid kreeg het in de 20ste eeuw, tijdens de republiek, steeds zwaarder en smolt weg als een ijsschots in de lente. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de joodse gemeenschap ook fysiek gedecimeerd.

De Tsjechische literatuur had zich in de 19e eeuw sterk ontwikkeld, met als hoogtepunten het werk van de romantische dichter Karel Hynek Mácha (1810-1836) en het proza van Jan Neruda (1834-1891).
In de 20ste eeuw kwam daar het wereldwijde bekende werk bij van Jaroslav Hašek (1883-1923), de schepper van de ‘brave soldaat Švejk‘ en van Karel Čapek (1890-1938), die ook Nederland bezocht en beschreef. Al deze schrijvers zijn nauw verbonden met de stad Praag en hebben met hun werk bijgedragen aan de vorming van een nationaal cultureel bewustzijn.

Na de Tweede Wereldoorlog was er niet alleen nauwelijks meer een Duitse minderheidscultuur, maar ook de Tsjechische literatuur kreeg het zwaar te verduren, nu door toedoen van het communisme dat vanaf 1948 alleen werk van communistisch gezinden tolereerde, wat leidde tot een tweedeling in de Tsjechische literatuur. In de tweede helft van de jaren zestig volgt dan een korte periode van dooi, voorafgaand aan het jaar 1968, het jaar van de Praagse Lente, dat weer meteen gevolgd werd door twintig jaar winter. Vele schrijvers, die een verbod kregen om te publiceren, doordat ze zich als dissident tegen de heersende politieke klimaat keerden, emigreerden, onder wie de in vele talen vertaalde Tsjechische schrijver Milan Kundera (1929, Brno), die in Frankrijk een nieuw vaderland vond, of Josef Škvorecký (1924, Náchod), die in Canada een uitgeverij van Tsjechische literatuur startte. Anderen bleven en vormden er de ondergrondse literatuur, zoals de latere president Václav Havel (1936), Ivan Klíma (1931), Ludvík Vaculík (1926, Brumov) of Bohumil Hrabal (1914, Brno). Ook als iemand niet in Praag geboren is, is die band met Praag er vaak toch doordat men er lang gewoond heeft of nog steeds woont
.
Een belangrijk ijkpunt in die periode is het manifest Charta 77, dat zich verzette tegen de politieke repressie en steun zocht bij de burgerrechtenbeweging in Europa. Door je handtekening te plaatsen, bekende je tevens politieke kleur en werd je slachtoffer van nieuwe represailles en chicanes van de kant van de justitie, politie en politiek.

De diverse overheersingen en tweedelingen hebben ervoor gezorgd dat een van de kenmerken van de Tsjechische literatuur het paradoxale is, zoals dat ontstaat wanneer je in twee werelden tegelijk moet leven en twee waarheden met elkaar moet zien te verzoenen. Dat dit tevens de vraag naar de identiteit oproept, mag geen wonder heten. Zo werden in feite filosofische vragen aan de realiteit van het leven van alledag getoetst en vonden hun weg naar de literatuur en – in wijdere zin – de cultuur.

De nieuwe generatie

Na de Fluwelen Revolutie kwam er een generatie schrijvers die niet meer de last van het verleden en van de vorige generatie, die van hun ouders, met zich mee wil torsen, maar naar nieuwe wegen zoekt: in het literaire experiment (Jáchym Topol), in exotische thema’s (Petra Hůlová, Marketa Pilátová), in eerder verboden domeinen (Jan Křesadlo, Svatava Antošová), in popliteratuur (Michal Viewegh, Jaroslav Rudiš). Praag blijft een prominente plek innemen in het werk van talloze schrijvers (Daniela Hodrová, Michal Ajvaz, Miloš Urban), maar ook bijvoorbeeld de boeken van Emil Hakl, Patrik Ouředník of Tomáš Zmeškal zijn ondenkbaar zonder de bijzondere sfeer van deze stad.

Het literaire leven, dat zich voor de revolutie vaak letterlijk ‘in achterkamertjes’ moest afspelen, is in de volle openbaarheid in alle hevigheid losgebarsten: een heel scala van literaire uitgeverijen ontstond, nieuwe literaire tijdschriften werden gesticht, literaire cafés en podia ontstonden en literaire festivals werden en worden georganiseerd, waarbij dit alles ook als iets nieuws, verfrissends, spannends werd en wordt ervaren. De Tsjechische literatuur is anderzijds ook internationaal weer helemaal aanwezig: op boekenbeurzen en literaire festivals. Ondanks alle periodes van beknotting en onvrijheid heeft de Tsjechische literatuur nooit haar overlevingskracht verloren en vormde Praag door de eeuwen heen het literaire centrum.

(Tekst: Kees Mercks)